Artikel O+P November 2009: Nieuwe wetgeving inzake lijfrente, stamrecht en pensioenen

Op prinsjesdag heeft de regering haar plannen voor de nabije toekomst ontvouwd. Daarin zitten enkele verrassende maatregelen op het gebied van lijfrenten, stamrecht en pensioenen.

Ten aanzien van lijfrenten worden de volgende vereenvoudigingen aangebracht:
a. de terugwentelingsmogelijkheid wordt beperkt vanaf 1 januari 2011;
b. de redelijke termijn waarbinnen een lijfrente moet zijn bedongen wordt uitgebreid;
c. pré-brede-herwaarderingslijfrente geheel afgewikkeld in box 1.

Daarnaast zal ook de pensioenopbouw voor de DGA in eigen beheer worden uitgebreid. Het wordt mogelijk om ook pensioen in eigen beheer op te bouwen bij een niet in Nederland gevestigd pensioenlichaam.

Tot slot zal ten aanzien van stamrechten de mogelijkheid worden gecreëerd om het stamrechtkapitaal bij een bank af te storten.

Hieronder zal ik de maatregelen punt voor punt toelichten.

Terugwentelingsmogelijkheid
Lijfrente premies zijn aftrekbaar indien zij zijn betaald of verrekend in het kalenderjaar of in de eerste drie maanden (tot 1 april) van het daaropvolgende kalenderjaar. Deze laatste 3 maanden noemt men ook wel terugwenteling. Het kabinet wil deze terugwentelingsmogelijkheid laten vervallen. De terugwentelingstermijn is overbodig geworden aangezien de hoogte van de jaarruimte en de reserveringsruimte sinds 2004 wordt bepaald aan de hand van de premiegrondslag en pensioenaangroei van het voorafgaande kalenderjaar.

De korte terugwentelingstermijn wordt afgeschaft omdat de gebruikmaking van de terugwentelingstermijn leidt tot uitworp bij de verwerking van de aangifte. De aangifte sluit immers niet aan bij de renseignering, de opgave van de verzekeringsmaatschappij, aan de belastingdienst. Tevens is het niet mogelijk om de lijfrente aftrek op te nemen in de vooringevulde aangifte als de terugwentelingstermijn nog loopt.

Ook bij het bedingen van een stakingswinstlijfrente en/of het omzetten van de oudedagsreserve in een lijfrente is sprake van een terugwentelingstermijn. Deze terugwentelingstermijn bedraagt 6 maanden. Anders dan bij het bedingen van een lijfrente uit de jaarruimte en/of de reserveringsruimte is het bij het bedingen van een stakingslijfrente wel nodig om de benodigde gegevens te verzamelen. Aangezien de afwikkeling van een staking van een onderneming altijd maatwerk is, leidt in deze gevallen de terugwentelingsmogelijkheid niet tot extra uitvoeringsproblemen en is een terugwentelingstermijn van zes maanden gerechtvaardigd.

Redelijke termijn
Na de expiratie van een lijfrente kapitaal moet binnen en redelijke termijn de lijfrente uitkering worden vastgesteld. De redelijke termijn is beleidsmatig vastgesteld op maximaal 6 maanden voor het bedingen van een (tijdelijke) oudedagslijfrente en is vastgesteld op 12 maanden voor een nabestaandenlijfrente. Het onderscheid in bedingingtermijn wordt verantwoord doordat de eerste lijfrenten zullen worden bedongen bij leven terwijl de nabestaandenlijfrenten zullen worden bedongen na het overlijden.

Indien zich bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan is het mogelijk om de bedingtermijnen te verlengen. In de praktijk worden deze termijnen met grote regelmaat overschreden met als gevolg dat de gehele waarde van de aanspraak ineens belast wordt. Voor lijfrenten gesloten onder het regime van de Brede Herwaardering (globaal ná 1992) zal de belastingheffing worden verhoogd met 20% revisierente. Na overschrijding van de redelijke termijn wordt de waarde van de aanspraken tot het inkomen gerekend op de berekeningsdatum (bij oude kapitaalsverzekeringen met een lijfrenteclausule: de expiratiedatum), niet op de datum van het overschrijden van de redelijke termijn.

Om te voorkomen dat de waarde van de aanspraken zullen worden belast stellen belastingplichtige vaak dat het niet binnen de redelijke termijn bedingen van een lijfrente het gevolg is van bijzondere omstandigheden. Aan de belastingdienst is de taak opgelegd om te beoordelen of in deze situaties sprake is van een gerechtvaardigde overschrijding van de redelijke termijn. Deze beoordeling kost de belastingdienst veel energie en tijd. Derhalve heeft het kabinet besloten een wettelijke termijn in te voeren die ruimer is dan de termijn die op dit moment in de beleidssfeer geldt. De nieuwe wettelijke termijn eindigt op 31 december van het kalenderjaar volgend op het jaar van expiratie of berekening bij leven. Voor de nabestaandenlijfrente gaat een wettelijke termijn gelden die eindigt op 31 december van het tweede kalenderjaar volgend op het jaar van berekening bij overlijden. Voor situaties dat redelijkerwijs niet kan worden voldaan aan de wettelijke termijn blijft de uitzondering van kracht.

Het heffingstijdstip bij overschrijding van de wettelijke termijn wordt verlegd naar het tijdstip van overschrijding van die termijn. Hierdoor is de mogelijkheid gecreëerd om bij overschrijding van de wettelijke termijn in de vooringevulde aangifte de aanspraken op lijfrenten tot het belastbaar inkomen van de belastingplichtige te rekenen.

Splitsingsproblematiek pré-Brede-Herwaarderinglijfrenten
In de huidige wetgeving, Invoeringswet IB 2001 onderdeel O, dient een lijfrente bedongen onder het regime van de pré-Brede-Herwaardering te worden gesplitst in een deel dat in box 1 wordt belast en een deel dat in box 3 wordt belast. De uitkeringen van het deel dat via box 3 loopt is vrijgesteld van belasting, echter de waarde van de aanspraken is onderdeel van de grondslag van de vermogensrendementsheffing in box 3. De aanspraken, die via box 1 worden belast, worden uitgekeerd onder toepassing van de saldomethode. Het deel van de premies die betaald zijn voor de box 1aanspraken die onder de wet IB 2001 niet meer hebben kunnen leiden tot belastingaftrek zal belastingvrij worden uitgekeerd.

In de voorstellen van het Kabinet zal de afwikkeling geheel via box 1 verlopen onder toepassing van de saldo methode. De premies die vanaf 2001 zijn betaald tellen volledig mee voor de toepassing van de saldomethode. Premies die vanaf 2010 worden betaald tellen niet mee voor de saldomethode.

Het volgende voorbeeld ter illustratie:
Stel u heeft onder het regime van vóór de Brede Herwaardering op 1 januari 1990 een kapitaalverzekering met lijfrente clausule gesloten. De jaarlijkse premie bedraagt € 5.000,– en is jaarlijks tot 1 januari 2001 op uw inkomen in mindering gebracht. Vanaf de ingang van de Wet IB 2001 is de premie niet meer aftrekbaar. De polis zal op 1 januari 2010 expireren. Het lijfrentekapitaal inclusief winstbijschrijving bedraagt op expiratiedatum € 200.000,–. Hiervoor kan een levenslange lijfrente van € 16.000,– per jaar worden aangekocht.

De (niet in aftrek gebrachte) tegenprestatie voor de saldolijfrente bedraagt: € 45.000,–
(€ 100.000,– -/- € 55.000,–). Hierdoor zijn de eerste 2 uitkeringen (2010 en 2011) onbelast. Van de uitkering in 2012 is nog een bedrag ter grootte van € 13.000,–
(€ 45.000,– -/- 2 * € 16.000,–) onbelast uitkeerbaar. Het meerdere, € 3.000,–, zal belast worden uitgekeerd.
Vanaf 2014 zijn de uitkeringen integraal belast in box 1.

Eigen beheer in internationaal perspectief
Momenteel is het niet mogelijk om een pensioen in eigen beheer te houden bij een lichaam dat niet in Nederland is gevestigd. De vraag rijst of deze bepaling niet in strijd is met de vrijheid van vestiging. Het kabinet acht deze twijfel onwenselijk. Daarom wil het kabinet voortaan ook eigen-beheerlichamen die zijn gevestigd in een andere lidstaat van de Europese Unie (EU), of andere staat behorende tot de Europese Economische Ruimte (EER) als pensioenverzekeraar van een dga-pensioen toe staan.

Voor deze EU/EER eigen-beheerlichamen gaan dezelfde uitgangspunten gelden als voor binnenlands eigen-beheerlichamen. Dat betekend dat de EU/EER eigen-beheerlichamen rechtens en feitelijk moeten zijn onderworpen aan belastingheffing naar de winst. Deze heffing moet resulteren in een naar Nederlandse begrippen reële heffing van belasting.

Net zoals bij buitenlandse verzekeraars van Nederlandse pensioenen zal een aanwijzingsregeling in het leven worden geroepen. Om aangewezen te worden als EU/EER eigen-beheerlichaam zal het lichaam zich tegenover de inspecteur moeten verplichten:
1. te voldoen aan de voorwaarden met betrekking tot het verschaffen van inlichtingen over de uitvoering van de regeling en de bepaling van de winst van het lichaam;
2. ingevolge een overeenkomst de aansprakelijkheid aanvaarden voor de invordering van de belasting die door de DGA is verschuldigd en die alleen wordt ingevorderd bij bepaalde oneigenlijke handelingen, zoals afkoop van pensioen.

Ook ten aanzien van stamrecht lichamen zal een gelijke wijziging worden doorgevoerd. Hiermee acht het kabinet alle twijfel met betrekking tot de vrijheid van vestiging te hebben weggenomen. Bovendien wordt door de aanwijzingsregeling voldoende gewaarborgd dat de verplichtingen op reguliere wijze worden afgewikkeld.

Stamrecht afstorten bij een bank
Bij het beëindigen van een arbeidsovereenkomst wordt aan een medewerker soms een afkoopsom mee gegeven, een gouden handdruk. De medewerker kan voor deze gouden handdruk een stamrecht bedingen. Het stamrechtkapitaal dient dan direct door de werkgever te worden overgemaakt aan een toegelaten uitvoerder van het stamrecht. Als toegelaten uitvoerder gelden verzekeringsmaatschappijen of eigen beheerslichamen.

In de voorstellen van de regering wordt ook een bank als een toegelaten aanbieder aangemerkt. Door het banksparen voor stamrechten toe te staan wordt de concurrentie vergroot. De verwachting is dat door toegenomen concurrentie op de markt zal leiden tot een verlaging in de kosten van de aanbieders van stamrechten.

Conclusie
De fiscale voorstellen van het Kabinet op het gebied van pensioenen en lijfrenten vertonen enkele verrassende maatregelen. Internationaal eigen beheer, uitbreiding van de redelijke termijn voor het bedingen van uitkeringen, beëindiging splitsingsproblematiek pre-Brede-Herwaarderingslijfrenten en het toestaan van het afstorten van een stamrecht bij een bank. Stuk voor stuk positieve vereenvoudigingen. Alleen de afschaffing van de terugwentelingstermijn van 3 maanden leidt tot een beperking in de wettelijke mogelijkheden.

Reageer