Artikel Loonzaken: Bijna pensioengerechtigde bestuurder krijgt (zie verdere titel in de alinea)

Artikel Loonzaken: Bijna pensioengerechtigde bestuurder krijgt bij de rechtbank een ontbindingsvergoeding in plaats van afvloeiingsregeling, maar alle kansen liggen nog open.

Werknemer in de onderhavige kwestie van de Rechtbank Amsterdam van 22 december 2009 was de statutair directeur, voorzitter van de concerndirectie. Hij was in die positie benoemd en in dienst sinds 1 juli 2003 voor de periode van 4 jaar. Bij indiensttreding was hij al 57 jaar oud.

De overeenkomst wordt na afloop nog een keer verlengd met een termijn van 4 jaar. Echter halverwege die termijn wordt de bestuurder ontslagen door de aandeelhouders en wordt hem door de Raad van Commissarissen van de werkgever eveneens verzocht om zijn functie neer te leggen.

Partijen hebben overlegd hoe de beëindiging vorm te geven, maar zijn daar niet uitgekomen. Dat heeft tot gevolg gehad dat de werkgever een verzoek heeft ingediend tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst.

In de arbeidsovereenkomst waren partijen bij het aangaan van het dienstverband overeengekomen dat aan de werknemer bij een voortijdig einde, mits niet te wijten aan zijn disfunctioneren een schadevergoeding toe zou komen van één jaarsalaris, vermeerderd met de pensioenpremie én vermeerderd met de bonus.

De werkgever stelde zich bij de ontbinding op het standpunt, dat de bestuurder ernstig disfunctioneerde en dat er daarom geen sprake zou kunnen zijn van het toekennen van een ontslagvergoeding aan die bestuurder.

De rechtbank denkt daar anders over. De bestuurder had als ontslagvergoeding gevraagd om een nakoming van de contractuele afvloeiingsregeling. Dat zou ongeveer neerkomen op een vergoeding van € 1,2 miljoen (het salaris bedroeg bijna € 600.000,–, de pensioenpremie iets meer dan € 100.000,–).

De rechtbank toetst alle aan het adres van de bestuurder gemaakte verwijten, zoals tegenvallende omzetten, slechte implementatie van beleid etc. etc. Helaas voor de werkgever komt de rechtbank tot de conclusie, dat aan de bestuurder geen verwijt valt te maken.

Wat echter ernstiger is, is dat de rechtbank overweegt dat de contractuele afvloeiingsregeling eigenlijk niet aan de orde lijkt te zijn, althans niet in de ontbindingsprocedure. De rechtbank verwijst daarvoor naar een gewone bodemprocedure. Wel onder de overweging dat in die procedure dan maar rekening moet worden gehouden met de toegekende ontbindingsvergoeding.

De rechtbank constateert dat er ruim 6 dienstjaren zijn, die een wegingsfactor hebben van 2. Vervolgens concludeert de rechtbank dat er geen reden is om de correctiefactor C naar boven of beneden bij te stellen. Dat de bestuurder onder druk zou komen staan, had hij vooraf kunnen voorzien, dat is, volgens de rechtbank inherent aan de functie. De rechtbank gaat vervolgens uit van het bruto maandloon, zonder de pensioenpremie daar in mee te nemen. Dat laatste omdat de bestuurder niet had aangevoerd dat de pensioenpremie tot het loon behoorde, wat normaliter wel het geval is. Pensioen is immers niet meer dan uitgesteld loon, zodat de rechtbank dit element mee had moeten nemen.

Uiteindelijk komt de vergoeding uit op één jaarsalaris. De werkgever had nog betoogd dat de bestuurder op korte termijn 65 jaar zou worden en daarom de ontbindingsvergoeding naar beneden zou moeten worden bijgesteld. Immers kan die nooit meer bedragen dan het gederfde loon tot aan de pensioendatum.

Daarvan zei de rechtbank echter, dat gezien het feit dat het contract met de bestuurder nog zou duren tot het moment dat hij bijna 67 jaar zou zijn er niet van moet worden uitgegaan dat hij met 65 jaar met pensioen zou zijn gegaan. Naar de mening van de rechtbank moet gekeken worden naar de daadwerkelijke situatie.

Voor wat betreft de opgenomen afvloeiingsregeling in de overeenkomst tussen partijen had mijns inziens ook in ogenschouw moeten worden genomen, dat de bestuurder reeds
‘op leeftijd’ was bij indiensttreding en dat partijen dus hadden voorzien dat de onderhavige situatie zich zou gaan voordoen. Het is dan ook merkwaardig, dat de rechtbank niet uitgaat van de afvloeiingsregeling, maar uitgaat van een ontbindingsvergoeding. De daarvoor gehanteerde juridische argumenten zijn wel juist, maar geven toch een onbevredigend gevoel. Zeker nu de rechtbank enerzijds stelt niet de aangewezen instantie te zijn om te oordelen over de nakoming van de contractuele afvloeiingsregeling (de werkgever had aangegeven die niet te zullen nakomen in verband met de verwijtbaarheid van het ontslag aan de zijde van de bestuurder), maar anderzijds wél alle aangedragen verwijten toetst in het kader van de
C-factor en concludeert dat er geen sprake is van verwijtbaarheid aan de zijde van de bestuurder.

Deze beslissing van de rechtbank impliceert dat de bestuurder nog een bodemprocedure zal moeten starten tot nakoming van de afvloeiingsregeling onder aftrek van de ontbindingsvergoeding. Echter in deze procedure heeft een rechter alle verweer van de werkgever om de afvloeiingsregeling niet na te komen reeds van tafel geveegd.

Mw. mr. Henny Van den Hurk, advocaat/partner Gommer & Partners Pensioen Advocaten te Tilburg.

Reageer