Artikel Financieel Dagblad selections: Wat wordt de ‘echte’ pensioenleeftijd?

Wordt het 67, blijft het 65 of iets er tussenin? Dat de AOW naar 67 jaar gaat – en sneller dan we verwachten – staat volgens mij buiten kijf en staat al in het ‘uitgelekte’ voorlopige SER-advies. Het lijkt mij eerlijk gezegd niet onterecht op basis van objectieve factoren zoals toegenomen levensverwachting, aankomende vergrijzing en de noodzaak tot langere arbeidsparticipatie. De veel belangrijker vraag is echter of en zo ja, hoe de 2e pijler, het werkgever-werknemer pensioen, ook naar 67 gaat. Ja, zeggen de werkgevers, dat beperkt namelijk de pensioenkosten. Deze zijn – een beetje onbewust – bij de omzetting van Vut/prepensioen immers behoorlijk uit de hand gelopen. Zeker in combinatie met (verplichte) pensioenopbouw vanaf 21 jaar in plaats van 25 jaar (een terecht argument). Hierdoor zijn er niet langer 40 maar feitelijke 44 dienstjaren. Bij een gelijkblijvende norm van 70% vanaf 67 jaar moet het opbouwpercentage dan worden verlaagd naar ‘maar’ 1,42% per dienstjaar. Nee, zeggen de werknemers. Ieder ‘gat’ dat de ophoging van de AOW-leeftijd met zich meebrengt ‘pikken’ wij in met een eis van meer loon. Tenslotte is pensioen uitgesteld loon. Pensioentechnisch gezien klopt dat. Maar ja, wat nu? Dit is immers wel een aardige tegenstelling. Mijn analyse is als volgt. Allereerst is het van belang om te beseffen dat ook al staat de formele pensioenleeftijd op 67 jaar, er met alle flexibiliseringmogelijkheden op iedere gewenst moment ‘eerder met pensioen kan worden gegaan’. Dat je dan minder krijgt is het gevolg van de eigen keus, toch? De wens tot beperking van pensioenkosten van de werkgevers lijkt mij op zich dan ook niet onredelijk. Het zit economisch nu eenmaal niet mee en met de vergrijzing op komst moet een werkgever zijn pensioenkosten in de hand houden. Dan de werknemers. Zij zullen de komende jaren geen of nauwelijks indexatie van opgebouwde pensioenrechten krijgen. Verder zullen ze, laten we eerlijk zijn, weinig kans op reële loonsverhoging hebben. Het lijkt mij dan ook niet irreëel dat minimaal een deel, zullen we zeggen de helft, van de lagere pensioenkosten naar de werknemers gaat. Als we het dus nu eens als volgt oplossen. Het opbouwpercentage gaat naar 1,75% vanaf 2012. De pensioenleeftijd wordt standaard 67 jaar. Als een werknemer dan vanaf 21 jaar werkt, heeft hij/zij op 65 jaar een recht van 77% pensioen opgebouwd. Als hij dit vervolgens, flexibel, vervroegd – naar eigen keus dus – direct laat ingaan, dan krijgt hij ongeveer 66%.
Dat lijkt mij toch prima. De helft van de lagere werkgeversbijdrage wordt vervolgens omgezet in een hoger (direct ingaand) salaris, dat voor de toekomst natuurlijk pensioengevend is. Dit levert zo gemiddeld ongeveer precies 4% extra pensioen op. De cirkel is rond. Vanaf 2017 is alles weer ‘vogelvrij’ en mag er opnieuw onderhandeld worden. Probleem opgelost, systeem aangepast, discussie niet nodig. Deal?

Reageer