Artikel FD Selections: Waar gaat het pensioensysteem naar toe (deel 2): de verplichtstelling.

Pensioenplannen doen verplichtstelling wankelen.

Alle plannen van het Kabinet, zowel inzake de ‘zekerheid’ van ons pensioen als de keuzes omtrent de rekenrente en de uitvoering staan haaks op de Europese ‘sociale gedachte’ van pensioen. Dat zet forse druk op de huidige verplichtstelling. Als dan ook de maatschappelijke opinie omtrent de verplichtstelling wijzigt, getuige de oproep van de Teldersstichting (het Wetenschappelijk Bureau van de VVD) om de huidige verplichtstelling af te schaffen is dat onder liberalen dus al het geval, dan gaat het snel.
Formeel zijn verplicht gestelde bedrijfstakpensioenfondsen (Bpf) in strijd met Europese mededingswetgeving. Uit de beruchte arresten uit 1992, o.a. Drijvende Bokken en Brentjens, vallen de volgende eisen te halen waardoor een verplicht gesteld Bpf níet in strijd is met Europese wetgeving.
Allereerst de zékerheid van een ‘bepaald pensioenniveau te verzekeren’. Dat gebeurt echter niet meer. De facto is iedere Bpf-regeling immers een premieovereenkomst geworden met een gemaximaliseerde bijdrage van de werkgever – afgesproken in het pensioenakkoord – en een pensioen afhankelijk van ‘beleggingen’, levensverwachting en marktrente. Ook de ‘beloofde’ 70%-norm wordt zelden of nooit gehaald. En met de nieuwe maximale opbouwpercentages al helemaal niet meer. Dan de non-selectie. Die hebben we al sinds 1998 middels de Wet (verbod op) Medische Keuringen voor alle arbeids- en pensioenovereenkomsten, daarvoor hebben geen Bpf’s meer nodig. Vervolgens solidariteit op basis van doorsneepremies. De vraag is of je dat nog kunt ‘opleggen’ wetende dat geen enkele werknemer nog ’40 jaar’ bij dezelfde werkgever blijft, in dezelfde branche, als werknemer (in plaats van ZZP-ers). Los nog van de vraag of je dat als concurrerende economie moet willen. Het nabestaandenpensioen is voorts al sinds 2001 op risicobasis verzekerd en biedt ook al geen zekerheid – waar ook nog eens de communicatie fors te wensen heeft overgelaten. Tot slot de ‘eis’ dat een pensioenfonds geen winstoogmerk heeft. Nou, dát kunnen we met een korrel zout nemen gezien o.a. de uitvoeringsinstanties. En met de komst van de API krijgen pensioenfondsen nog meer commercieel speelruimte.
Er is al met al geen enkele reden om de verplichtstelling nog langer in stand te houden. Een verplichte regeling binnen een bedrijfstak, prima, maar waar die wordt ondergebracht moet echt overgelaten worden aan werkgevers zelf. Zij zijn zelf goed in staat indien gewenst een vrijwillig Bpf op te tuigen. Ook het ‘getreuzel’ van de Nederlandse wetgever om meer Europees georiënteerde aanbieders, zowel PPI’s als API toe te staan zet druk op ‘het hek om Nederland’. De tijd dat we ‘wereldkampioen’ pensioen waren ligt inmiddels ver achter ons. In een ontwikkelde (uitkerings)‘markt’ liggen de kaarten nu eenmaal anders. Wil Nederland mee blijven doen dan zal ze snel(ler) moeten handelen, het hek om Nederland openen, niet op willen boxen tegen Brusselse normen en de verplichtstelling ontmantelen. Daarmee is meteen de doorsneepremie ten einde. Met ‘wisselende’ werkgevers in verschillende branche én de opkomst en doorgroei van het aantal ZZP-ers een must. Doet ze dat niet zelf, dan zullen werkgevers en (jonge) werknemers zelf het voortouw nemen! Tot slot levert de verplichtstelling apathische, niet zelfverantwoordelijke en niet-weerbare deelnemers op. Dát is een doodlopende weg, zeker voor een ‘gids’-land in pensioenland als Nederland.

Reageer