Artikel Dela: Hoe gaat de DGA om met de risico’s van zijn pensioen?

De pensioenpositie van de DGA is de afgelopen jaren fors veranderd. Van standaard pensioenopbouw in eigen beheer – dat leverde fiscaal voordeel en goedkope liquiditeit op, en ‘hij’ ging toch nog lang niet met pensioen, dus ‘het bedrijf’ kon het vast wel betalen – naar zeer complexe berekeningen met grote verschillen tussen de fiscale en commerciële waardering en betalingsproblemen in de uitkeringsfase, bij verkoop en echtscheiding.

Het gaat om, net als bij gewone werknemers, drie ‘pensioenen’ bij de DGA: het ouderdoms-, het nabestaanden- en arbeidsongeschiktheidspensioen.

Het ouderdomspensioen is en blijft een kwestie van sparen. De facto maakt het niet uit of de DGA dat in de BV als pensioen, buiten de BV als lijfrente doet of gewoon spaart in Box III. Dat laatste kan ook door het bewerkstelligen van  een ‘vrij van hypotheek’ huis of (verkoop)waarde in zijn bedrijf. Als hij weet dat er verschil zit tussen fiscale en commerciële waarde bij pensioen, tja, dan moet je daar rekening mee houden. Dat veranderd weinig aan het feit dat het ‘geld’ er ooit moet zijn.

Wanneer een DGA ‘oud’ wordt kun je berekenen. Overlijden en arbeidsongeschiktheid is lastiger, dat kan zich morgen voordoen.

Een arbeidsongeschiktheidsverzekering blijft – ook voor de DGA – ‘duur’ en het is natuurlijk ongewis of hij het wordt en in welke mate. Kwestie van goed over nadenken. Door een niet zo hoge dekking te kiezen, met bijvoorbeeld 2 jaar wachttijd en een 3- of 4 klassensysteem, kan de premie overigens aardig gedrukt. Maar het blijft ‘gevoelsmatig’ veel geld.

Het nabestaandenpensioen is eigenlijk veel makkelijker. Plat gezegd: een tonnetje risicokapitaal meer of minder maakt niet zoveel uit qua premie. Kortom, berekenen wat je nodig wilt hebben en gewoon extern verzekeren. Hetzij als extern pensioen – de uitkering moet direct gebruikt voor aankoop nabestaandenpensioen, via een dekkingspolis – waarbij de BV begunstigde is en het pensioen moet gaan uitkeren of een ‘losse’ O(verlijdens)R(isico)V(erzekering) in Box III, de ORV.

Wel moet dan goed gelet op de eisen van de Wft. Want deze gelden dan gewoon. Accountants- en belastingadviseurs zonder Wft-vergunning (hetzij Pensioenverzekering of Vermogen) mogen hierover niet adviseren. Dat moet door een Wft-vergunningsplichtige gebeuren.

Volop kansen voor (pensioen)intermediairs ‘nieuwe stijl’, die én verstand van pensioen (ook in eigen beheer) hebben, maar ook mee kunnen denken als ‘financieel adviseur’. Samen met de DGA en zijn accountant zijn dan alle oplossingen te bespreken en in te vullen. Ieder kan zijn rol nemen.

De accountant mag echt wel een globale indicatie geven van de benodigde risicokapitalen en indicatieve premies. Het doorgeven van deze gegevens én het aanvragen van offertes en het afsluiten moet echter gebeuren door een Wft-vergunninghouder. Deze laatste is uiteraard ook de eindverantwoordelijke.

Zoals zo vaak bij goed (pensioen)advies is het een kwestie van kennis van de vakinhoudelijke materie, van de Wft en dan gewoon aan de slag. Ontbreekt kennis en of vaardigheid, geen probleem, kwestie van opdoen en training.

Wees blij dat er zaken veranderen, dan geeft nieuwe kansen in de markt. Voor aanbieders – zoals Dela – en voor bestaande en nieuwe (pensioen)adviseurs.

De business komt echter niet vanzelf, je moet er wel actief voor ‘de boer op’. Maar ja, dat is het lot van moderne adviseurs. En dat vinden ‘we’ leuk. Toch?!

mr Theo Gommer MPLA is directeur Wetenschappelijke Bureau Akkermans & Partner Groep, advocaat bij Gommer & Partners Pensioen Advocaten en voorzitter van de Nederlandse Orde van PensioenDeskundigen.

Reageer