Artikel Beursbengel: Terug naar de basis. Hoe zat het ook alweer met de gelijke behandeling?

In vroegere tijden was er meestal sprake van één type werknemer: de alleenverdienende kostwinner. In die tijd zijn ook veel van de pensioenregelingen in ons land tot stand gekomen. Niet verwonderlijk dat die veelal zijn toegespitst op de mannelijke werknemer die een gezin te onderhouden had. Voor de vrouwelijk werkneemster was er veelal geen of slechts beperkte deelname in de meeste regelingen voorzien. (Een latere aanvangsleeftijd, eerdere pensionering, lager opbouwpercentage, alleen deelname bij een fulltime dienstverband of slechts in bepaalde functies). Was die wel voorzien, dan stopte de deelname vaak bij het aangaan van een huwelijk. Ons land heeft zelfs de bepaling gekend, dat een vrouwelijke werkneemster ontslagen mocht worden op het moment dat zij in het huwelijk trad.

Veranderingen !
De tijden zijn veranderd. De pensioenregelingen gelukkig ook, maar dat ging niet vanzelf. Eind jaren ’60, begin jaren ’70 kwam daarin de eerste beweging. Er kwam EG-regelgeving die gelijke beloning tussen mannen en vrouwen voorschreef (artikel 119 EG Verdrag, nu artikel 141). In toenemende mate werd het als een ongelijke behandeling ervaren dat vrouwen niet of niet op dezelfde gronden werden beloond voor arbeid en bijvoorbeeld niet mochten deelnemen in de pensioenregelingen zoals mannen. De gelijke behandelingswetgeving stond toen echter nog in de kinderschoenen.

Jurisprudentie is gevormd door het Europese Hof van Justitie, te beginnen met de zaak Defrenne-II op 8 april 1976. Daarin werd bepaald dat artikel 119 rechtstreekse werking heeft en burgers er rechtstreeks een beroep op kunnen doen. Vrouwen kunnen dus vorderen gelijk te worden behandeld in beloning aan mannen. Omdat deze uitspraak veel impact zou kunnen hebben werd geen terugwerkende kracht verleend. Werking dus vanaf 8 april 1976.

In latere jaren zijn de criteria voor gelijke behandeling in beloning (en met name deelname aan een pensioenregeling en aanvullende pensioenen) en de wijze waarop verder aangescherpt door het Europese Hof. Op 17 mei 1990 is in deze materie een arrest gewezen, bekend als het Barber-arrest (1). Waarbij een uitspraak werd gedaan over de terugwerkende kracht van deze rechten. Het HvJ besliste kort samengevat dat het onderscheid in pensioenleeftijd strijdig is met artikel 141 EG Vedrag, maar dat rechten op pensioen voortvloeiend uit de toepassing van dit artikel niet kunnen worden toegerekend aan tijdvakken van arbeid vóór 17 mei 1990.

De vraag over deze beperking van de terugwerkende kracht kwam aan de orde in 1994 in de zaken Vroege en Fisscher (2). Deze zaken draaiden om vrouwelijke werkneemsters die uitgesloten waren geweest van deelname aan de pensioenregeling in verband met het parttime karakter van het dienstverband respectievelijk het feit dat gehuwde vrouwen waren uitgesloten. Het HvJ oordeelde in beide zaken dat het recht op aansluiting bij een bedrijfspensioenregeling valt binnen de werkingssfeer van artikel 141 en dat de beperking in terugwerkende kracht zoals aangenomen in het Barber-arrest en opgenomen in het Barber protocol niet geldt voor het recht op aansluiting bij een bedrijfspensioenregeling. Het HvJ bepaalde in deze zaken echter tevens dat:

”De nationale regels betreffende de in het nationale recht geldende beroepstermijnen kunnen worden tegengeworpen aan werknemers die hun recht op aansluiting bij een bedrijfspensioenregeling doen gelden, mits deze regels voor dit soort vorderingen niet ongunstiger zijn dan voor soortgelijke nationale vorderingen en zij het in de praktijk niet onmogelijk maken om het aan het gemeenschapsrecht ontleende recht uit te oefenen.”

Na het bekend worden van deze uitspraken is landelijk bekendheid gegeven aan de inhoud van deze uitspraken en (mogelijke) consequenties van deze uitspraken voor werknemers. Veel vrouwelijke werknemers die tot 1990 uitgesloten waren geweest van deelname aan pensioenregelingen claimden bij de werkgever of de pensioenuitvoerder nu alsnog een recht op aansluiting vanaf 1976 of de latere datum waarop zijn meenden recht te hebben op deelname aan de pensioenregeling.

Hoewel artikel 141 al vanaf eind jaren ’50 bestaat, geldt echter de terugwerkende kracht tot maximaal 8 april 1976. Tot die tijd was de strekking van het artikel niet duidelijk. Derhalve werd de terugwerkende kracht in de zaken Fisscher en Vroege gemaximeerd op 8 april 1976. Deze datum van 8 april 1976 geeft alleen een ondergrens aan, want het HvJ besliste tevens dat nationale verjaringstermijnen op pensioenvorderingen van toepassing blijven. Ons Burgerlijk Wetboek kent geen aparte verjaringstermijnen voor pensioenvorderingen. In titel 11 van boek 3 zijn drie verschillende verjaringsartikelen opgenomen die op van toepassing kunnen zijn, te weten artikel 3:307 BW, artikel 3:308 BW en 3:310 BW.

Artikel 3:310 BW ziet op vorderingen die worden aangemerkt als vordering tot schadevergoeding. De Hoge Raad heeft in 1999 het Rosendal-arrest (3) gewezen onder het oude BW waarin deze problematiek aan de orde is geweest. Het is aannemelijk dat de kwalificatie van de vordering onder het huidige BW hetzelfde zal zijn. De Hoge Raad bepaalde in dit arrest in ieder geval wel dat artikel 3:308 (nieuw) BW niet van toepassing is op onderhavige situatie. Diverse rechtbanken zijn onder het huidige BW in vergelijkbare pensioenkwesties tot een zelfde oordeel gekomen.

Dit is ook weer bevestigd door de Hoge Raad in 2007 in het HEMA-KBB-arrest. Er moet bekendheid zijn met schade en dader. Niet is vereist dat men weet dat een claim kan worden ingediend. Het niet mogen deelnemen in de regeling vanwege het reglement van de werkgever is voldoende, maar de verjaringstermijnen blijven toch een belangrijke rol spelen.

Mw. mr. Henny van den Hurk is partner bij Gommer & Partners Pensioen Advocaten te Tilburg. Gommer & Partners is geaffilieerd met de Akkermans & Partners Groep.

Streamer:
‘Mannen en vrouwen moeten op grond van het EG Verdrag gelijk beloond worden voor gelijke arbeid, óók in de arbeidsvoorwaarde pensioen. Verjaring kan echter nog roet in het eten gooien’

1 HvJ EG 17 mei 1990, zaak C-262/88 (Barber), Jur. P. I-1889.
2 HvJ EG 28 september 1994, zaak C-128/93 (Fisscher), Jur. p. I-4541 en C-57/93 (Vroege), Jur p. I-4583.
3 HR 3 december 1999, NJ 2000, 271 (Rosendal).

Reageer