Afvloeiingsregeling geen RVU o.b.v. objectieve maatstaven

Op 22 juni 2018 heeft de Hoge Raad een arrest gewezen in een procedure waarbij in geschil was of wel of niet sprake is van een RVU in de zin van artikel 32ba Wet LB 1964 (nr. 16/06236). In de procedure speelde het volgende. Een werkgever reorganiseert en is een Sociaal plan voor werknemers overeengekomen. Dit Sociaal plan omvat het volgende:

  • Boventallige werknemers worden aangewezen volgens het afspiegelingsbeginsel bij onderling uitwisselbare functies;
  • Een vrijwilligers- en plaatsmakersregeling, de Regeling (gebruik van de Regeling is alleen mogelijk met uitdrukkelijke goedkeuring van de werkgever).

Boventallige werknemers en werknemers die gebruikmaken van de regeling ontvangen een beëindigingsvergoeding. Daarbij gelden de volgende uitgangspunten:

  • De beëindigingsvergoeding wordt berekend op basis van de kantonrechtersformule;
  • De vergoeding ziet op maximaal de redelijkerwijs te verwachten inkomensderving tot het bereiken van de AOW-leeftijd;
  • Bij de berekening wordt rekening gehouden met uitkeringsrechten werknemers.

De werkgever heeft de voor hem competente belastinginspecteur verzocht om bij beschikking te bepalen dat de vergoeding die op grond van het Sociaal Plan in verband met de beëindiging wordt uitgekeerd aan een werknemer niet wordt aangemerkt als RVU. De inspecteur heeft het verzoek afgewezen. De werkgever is in beroep gegaan.

Het Hof Den Bosch besliste in zijn uitspraak 15/00586 van 18 november 2016 dat geen sprake is van een RVU. In cassatie overwoog de Hoge Raad het volgende:

  • Leidend zijn de objectieve kenmerken en voorwaarden van de regeling;
  • Bepalend is of de uitkeringen/verstrekkingen uit de regeling bedoeld zijn om te dienen ter overbrugging of aanvulling van inkomen van (ex-)werknemer tot pensioendatum;
  • De beweegredenen van de werkgever met de uitkeringen/verstrekkingen doen niet ter zake;
  • De intenties en keuzes van werknemers om voor de regeling te opteren doen ook niet ter zake: de feitelijke uitstroom en de hoogte van de feitelijke beëindigingsvergoedingen zijn niet relevant!

Naar het oordeel van de Hoge Raad heeft het Hof Den Bosch in zijn uitspraak de verkeerde maatstaven gehanteerd en heeft het hof het volgende miskend:

  • Vaststelling van de bedoeling van de regeling aan de hand van haar objectieve kenmerken en voorwaarden is in overeenstemming met de in artikel 32ba,lid 7 Wet LB 1964 opgenomen optie om vooraf te doen beslissen of een regeling een RVU vormt;
  • Er moet niet worden aangeknoopt bij het achteraf blijkende feitelijke gebruik van de regeling.

De Hoge Raad concludeert, net als het Hof Den Bosch, maar dan op andere gronden, dat de regeling niet is aan te merken als een RVU. Het arrest is gepubliceerd op 22 juni 2018.

Reageer