Advocaatkosten tot behoud van toekomstige lijfrente-uitkeringen wél aftrekbaar, die m.b.t. woning en spaartegoeden niet

Op 14 juli 2017 heeft de Hoge Raad een arrest gewezen (kenmerk 16/05464) in een zaak waarbij onder meer in geschil is (geweest) of de advocaatkosten van de belanghebbende, voor zover zij betrekking hadden op de toedeling van de echtelijke woning en op de spaartegoeden, op grond van artikel 3.108 van de Wet IB 2001 als aftrekbare kosten van uitkeringen en verstrekkingen in mindering kunnen worden gebracht op belanghebbendes belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen.

Aanvankelijk speelde de zaak voor het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (kenmerk 16/00010). Door het Hof werd als volgt geoordeeld. In artikel 3.108, eerste volzin van de Wet IB 2001 is bepaald dat aftrekbare kosten van uitkeringen en verstrekkingen de daarop drukkende kosten zijn, voor zover zij zijn gemaakt tot verwerving, inning en behoud van die uitkeringen en verstrekkingen. In de artikelen 3.100 tot en met 3.107 van de Wet IB 2001 wordt omschreven wat onder belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen moet worden verstaan, inclusief de algemene en specifieke uitbreidingen daarvan, alsmede de vrijstellingen en uitgezonderde uitkeringen. Geen van deze wetsartikelen bevat een bepaling op grond waarvan vermogensbestanddelen als woningen en spaartegoeden zouden kunnen worden gekwalificeerd als belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen als bedoeld in artikel 3.1, lid 2, aanhef en onderdeel d van de Wet IB 2001. De ter zake van de toedeling van die vermogensbestanddelen in de echtscheidingsprocedure gemaakte advocaatkosten zijn volgens het Hof derhalve niet gemaakt tot verwerving, inning of behoud van uitkeringen en verstrekkingen, zodat de door belanghebbende beoogde aftrek op grond van de Wet IB 2001 niet mogelijk is. Alleen de advocaatkosten die zijn gemaakt tot behoud van de toekomstige lijfrente-uitkeringen komen voor aftrek in aanmerking. Deze kosten zijn dan ook terecht in aftrek toegelaten.

Vervolgens oordeelde het Hof dat de wettelijke regeling van de aftrek van kosten van uitkeringen en verstrekkingen niet in strijd komt met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. De omstandigheid dat de artikelen 3.108 en volgende van de Wet IB 2001 niet voorzien in een aftrek van kosten ter zake van verwerving, inning of behoud van de woning en de spaartegoeden – die niet als pensioenuitkeringen of anderszins als periodieke uitkeringen en verstrekkingen in de heffing worden betrokken – stoort belanghebbende volgens het Hof niet in zijn recht van eigendom. Evenmin kan volgens het Hof worden geoordeeld dat voormelde wettelijke regeling een inbreuk vormt op het recht op respect voor belanghebbendes privéleven of zijn woning, of dat sprake is van inmenging van enig openbaar gezag in de uitoefening van dit recht.

In cassatie volgt de Hoge Raad het oordeel van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De Raad doet de zaak onder toepassing van artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie af. Het arrest ia op 14 juli 2017 gepubliceerd.

Reageer