Geen toepassing saldomethode bij afkoop lijfrente t.z.v. door verzekeraar toegevoegde lijfrentepremies bij AO

Op 4 mei 2018 heeft de Rechtbank Gelderland uitspraak gedaan (AWB 17/6356) in een procedure waarbij het volgende speelde. De echtgenote van belanghebbende X heeft in 1995 een lijfrenteverzekering afgesloten (maandpremie € 163,13). Zij is 28 november 2000 arbeidsongeschikt (AO) geworden. Vanaf dat moment stopte de premieplicht voor de lijfrente en zijn de premies door de verzekeraar toegevoegd waarmee de opbouw in de lijfrenteverzekering is doorgegaan. Op basis daarvan is de rechtbank er vanuit gegaan dat de echtgenote het risico van AO had meeverzekerd in de lijfrente (premievrijstelling bij AO). Er is sprake van een fictieve premietoevoeging. In 2012 is de echtgenote overleden. X heeft de lijfrente in 2014 afgekocht. In dat kader heeft X de inspecteur verzocht om afgifte van een verklaring over niet-afgetrokken premies die zijn betaald voor de lijfrente. Dit verzoek is in 2016 afgewezen. De volledige afkoopsom is in de belastingheffing betrokken, terwijl daarover revisierente is berekend.

In geschil is of X ter zake van de afgekochte lijfrente revisierente is verschuldigd over de afkoopwaarde van de lijfrente en of daarbij in casu de saldomethode mag worden toegepast.

Gelet op de polisvoorwaarden van de lijfrenteverzekering was sprake van een verzekering als bedoeld in de artikelen 45 en 45a van de Wet IB 1964 (tekst 2000). Dat betekent dat de betaalde premies aftrekbaar waren voor de inkomstenbelasting. In verband met de afkoop van de lijfrente zijn de premies en het rendement ter zake van de lijfrente ingevolge artikel 3.133, lid 1 Wet IB 2001 als negatieve uitgave voor inkomensvoorzieningen in aanmerking genomen bij X. Op grond van artikel 30i, lid 1 AWR is daarover dan ook revisierente verschuldigd. Voor zover de premies niet in aftrek zijn gebracht, is geen revisierente verschuldigd.

X heeft niet aannemelijk gemaakt dat de aftrekbare lijfrentepremies niet in aftrek zijn gebracht. Volgens X zijn de door de verzekeraar na 28 november 2000 toegevoegde premies nooit afgetrokken. De rechtbank oordeelt dat voor de belastbaarheid van de lijfrente-uitkering (afkoopsom) de toevoegingen door de verzekeraar niet kunnen worden gezien als een betaling van de premie. De door de verzekeraar betaalde premies worden niet als een verrekening van de verschuldigde premies aangemerkt (zie ook arrest Hoge Raad van 12 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AF4956). Daardoor is de gehele lijfrente-uitkering in casu belast. Voor de revisierente heeft dit volgens de rechtbank tot gevolg dat de gehele lijfrente-uitkering is opgebouwd uit de premies die door de echtgenote zijn betaald in de periode van het afsluiten van de polis tot 28 november 2000. De premies die in deze periode betaald zijn, konden volledig in aftrek worden gebracht, inclusief het deel dat bestemd was voor de arbeidsongeschiktheidsdekking. X is derhalve revisierente verschuldigd over de gehele afkoopsom.

De uitspraak is op www.rechtspraak.nl gepubliceerd op 16 mei 2018.

Reageer