Belanghebbende is door een medische fout bij zijn geboorte lichamelijk gehandicapt geraakt. De verzekeraar van de aansprakelijk gestelde wederpartij heeft hiervoor aan de man een letselschadevergoeding uitgekeerd. Voor dat bedrag heeft belanghebbende in 1998 een kapitaalverzekering afgesloten tegen een koopsom van € 131.597. Op 6 augustus 2014 is daaruit een kapitaalsuitkering van € 236.645 uitgekeerd. Belanghebbende heeft aangifte in de IB/PVV voor het jaar 2014 gedaan. In het aangegeven belastbaar inkomen uit werk en woning in box 1 was de rentecomponent in de uitkering uit de kapitaalverzekering begrepen, groot € 105.048.

Aan belanghebbende is een aanslag IB/PVV over 2014 opgelegd. Daarbij is de rentecomponent in de uitkering uit de kapitaalverzekering overeenkomstig de ingediende aangifte belast. Tegen de aanslag heeft belanghebbende bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar is de inspecteur gedeeltelijk aan het bezwaar tegemoet gekomen en heeft de inspecteur rekening gehouden met een eenmalige “life-timevrijstelling” van € 28.134. Belanghebbende is tegen de uitspraak op bezwaar in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland. Die rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld. Voor het Hof Arnhem Leeuwarden was het de vraag of de in de uitkering uit de kapitaalverzekering begrepen rentecomponent terecht in de heffing is betrokken. Belanghebbende stelde zich op het standpunt dat de heffing onbillijk is, omdat het bij het afsluiten van de kapitaalverzekering de bedoeling was dat hij met de uitkering een levenslange aanvulling zou krijgen op zijn UWV-uitkering. Zijn vader was zich er bij het afsluiten van de verzekering niet van bewust dat de uitkering zou worden belast en bovendien valt het rendement door de economische crisis tegen. De wetgever zou volgens de man moeten voorzien in een vrijstelling of verzachting.

Belanghebbende en de inspecteur zijn van mening dat de toepasselijke wettelijke bepalingen leiden tot belastbaarheid van de uitkering uit de kapitaalverzekering tot het bij bezwaar in aanmerking genomen bedrag. Het Hof sluit zich in zijn uitspraak van 3 januari 2018, nr. BK 17/00313, ECLI:NL:GHARL:2018:35, daarbij aan en oordeelt als volgt. De wetgever heeft niet voorzien in een aan de beoogde besteding van het belegde bedrag gerelateerde vermindering of vrijstelling van de belasting over een uitkering als die belanghebbende heeft ontvangen. De rechter mag daarover in een voorgelegde zaak geen billijkheidsoordeel geven en zijn beslissing daarop baseren. De rechter moet volgens de wet rechtspreken en mag nooit de innerlijke waarde of billijkheid ervan beoordelen. De rechter kan de wetgever ook niet opdragen te wet te wijzigen. Het hoger beroep is ongegrond verklaard. De uitspraak is gepubliceerd op 8 januari 2018.

Reageer